Carnavalsbeignets

Voor 20 beignets:

  • 100 gr bloem
  • 70 ml melk
  • 50 ml water
  • 50 gr roomboter
  • 2 eieren
  • 50 gr suiker
  • 1 snufje zout
  • 1 snufje baksoda
  • olie om te frituren
  • poedersuiker, zoveel als nodig

Voor de vulling :

  • 250 gr verse ricotta
  • 2 eieren
  • 2 volle eetlepels suiker
  • 1 snufje zout

BEREIDING: 

Zet een pannetje met melk, water, boter en een snufje zout en baksoda op het vuur. Breng het aan de kook. Neem de pan van het vuur en voeg meel en de suiker samen toe.

Roer stevig zodat zich geen klontjes vormen. Zet het terug op een laag vuur en ga door met het roeren totdat het mengsel loskomt van de pan. Doe het in een kom en laat het afkoelen.

Schenk ondertussen de frituurolie in een pan en breng het op temperatuur.

Voeg de eieren toe aan het mengsel en kneedt het tot een stevig deeg. Doe, als de olie goed heet is, met behulp van twee lepels telkens een klein bolletje deeg in de kokende olie.

Maak zoveel beignets als je kunt, haal ze uit de pan met een schuimspaan en laat ze uitlekken op keukenpapier.

Maak nu de crème door in een kom de suiker, de ricotta en de dooiers te mengen. Klop in een andere kom het eiwit stijf met een snufje zout. Voeg beide delen voorzichtig samen om zo een onweerstaanbare crème te krijgen.

Frittelle di Carnevale

Per 20 frittelle:

  • 100 g di farina
  • 70 ml di latte
  • 50 ml di acqua
  • 50 g di burro
  • 2 uova
  • 50 g di zucchero
  • 1 pizzico di sale
  • 1 pizzico di bicarbonato
  • olio per friggere
  • zucchero a velo q.b.

Per la farcia:

  • 250 g di ricotta fresca
  • 2 uova
  • 2 cucchiai colmi di zucchero
  • un pizzico di sale

PREPARAZIONE: 

Mettete sul fuoco un pentolino con tutto il latte, l’acqua, il burro, un pizzico di sale e di bicarbonato. Portate a bollore. Togliete la pentola dal fuoco e versateci dentro la farina e lo zucchero assieme.

Mescolate energicamente per evitare che si formino grumi. Rimettete sul fuoco e, con la fiamma al minimo, continuate a mescolare fino a quando il composto non si sarà staccato dalle pareti. Trasferitelo in una ciotola e lasciatelo intiepidire. Nel frattempo versate l’olio per friggere in una padella adeguata e portatelo a temperatura.

Versate nell’impasto le uova e mescolate fino ad ottenere una pastella densa. Quando l’olio sarà ben caldo, prelevate poca pastella alla volta con un cucchiaio e, aiutandovi con un altro cucchiaio, versate una pallina di pastella nell’olio bollente. Fate quante più frittelle potete e, non appena saranno gonfie e dorate, prelevatele con una schiumarola e fatele asciugare sulla carta da cucina.

Realizzate ora la crema mescolando in una ciotola lo zucchero, la ricotta e i tuorli. In un’altra montate a neve gli albumi con un pizzico di sale. Unite dolcemente i due composti e otterrete così una crema golosa.

Pizzoccheri

Geschiedenis:

Typisch gerecht uit de keuken van de Valtellina. De pizzoccheri hebben een zeer oude geschiedenis; de eerste literaire verwijzing gaat terug naar 1548. De naam lijkt afkomstig te zijn van de stam “pit” of “piz”, met de betekenis van stukje of zelfs nog van het woord “pinzare” in de betekenis van pletten, refererend aan de geplette vorm van de pasta. Pizzoccheri is een typisch gerecht uit de arme keuken, gemaakt met weinig basisingrediënten, die handig gecombineerd tot een smaakvol resultaat leiden en zeer gewaardeerd worden, ook door fijnproevers. Het is korte tagliatelle van boekweitmeel en wit meel en wordt met de hand getrokken tot niet te dunne bladen, gekookt en goed op smaak gebracht met kaas en boter uit de Valtellina, het liefst Alpenboter. Men voegt ook groenten toe uit de traditionele keuken zoals spinazie, aardappelen en savooiekool (die vervangen kunnen worden al naar gelang het seizoen door snijbiet of bonen). Het boekweitmeel is een pseudograan afkomstig uit China, dat veel voorkomt in Noord-Europa. In Italië vindt je het vooral in de Alpenvalleien, in het bijzonder in de Valtellina. Het graan draagt bij aan het welzijn van het hart en de bloedsomloop, darmflora, zenuwstelsel, immuunsysteem en het hormoonsysteem. Het wordt gebruikt in de keuken sinds de 14e eeuw samen met andere granen zoals gierst, gerst, trosgierst en haver.

 
Ingredienten

Pasta

  • 100 gr boekweitmeel
  • 200 gr witte meel
  • 110 gr water
  • 6 gr olijfolie extra vergine
  • 6 gr grappa
  • 5 gr zout
  • 4 gr bitter cacaopoeder

Saus

  • 40 gr boter
  • 1 savooiekool (300 gr)
  • 1 aardappel
  • 150 gr casera of bittokaas (of een belegen koekaas)
  • geraspte parmezaanse kaas
  • zout
  • 2 tenen knoflook
  • 4/5 blaadjes salie

Bereiding

  • Meng, op een deegplank, het meel en de cacao en voeg daarna water, grappa, zout en olie toe. Kneed het deeg met je handen of met de mixer 10 minuten, tot het zacht is.

  • Rol het deeg dun uit met een deegrol of gebruik de pastamachine. Snij het daarna in rechthoeken van ongeveer 1×5 cm.

  • Snij de kaas in blokjes en houd ze apart.

  • Zet het water op in een grote pan, voeg nu de kool en de aardappels toe en na vijf minuten de pizzoccheri, die samen nog vijf minuten moeten koken. Let erop dat de pasta al dente moet zijn.

  • Giet de pizzoccheri en de groenten af en doe ze in een ovenschaal, bestrooi met de Parmezaanse kaas en doe er de kaasblokjes bij, meng het geheel.

  • Laat ondertussen de boter op een laag vuur smelten samen met de gepelde knoflook en de salie. Als de boter gekleurd is verwijder je de knoflook en voeg je de botersaus toe aan de pizzoccheri.

     

Pizzoccheri

Storia:

Piatto simbolo della cucina valtellinese. I pizzoccheri hanno una storia molto antica, la prima citazione letteraria risale al 1548. Il nome sembra derivare dalla radice “pit” o “piz” col significato di pezzetto o ancora dalla parola pinzare col significato di schiacciare, in riferimento alla forma schiacciata della pasta. I Pizzoccheri sono una ricetta tipica della cucina povera, creata con pochi ingredienti di base che sapientemente combinati danno un risultato gustoso e molto apprezzato anche dai palati più fini. Sono tagliatelle corte di grano saraceno e farina bianca lavorate a mano, tirate a sfoglia non troppo sottile, bollite e ben condite con formaggio valtellinese e burro, meglio se d’alpeggio. Si aggiungono alcune verdure, quelle un tempo disponibili come vallate, patate e verze (che possono essere sostituite, a secondo delle stagioni, con coste o fagiolini). Il grano saraceno è uno pseudocereale originario della Cina che si è diffuso in Europa del nord. In Italia si trova maggiormente nelle vallate alpine, in particolare in Valtellina. Il suo consumo contribuisce al benessere del cuore e dell’apparato circolatorio, intestino, sistema nervoso, immunitario ed ormonale. Fu usato nella cucina già dal secolo XIV assieme ad altri cereali come miglio, orzo, panico, avena.

 
Ingredienti (4 porzioni):

PASTA
– 100 gr farina di grano saraceno
– 200 gr farina bianca
– 110 gr acqua
– 6 gr oli extra vergine di oliva
– 6 gr grappa
– 5 gr sale
– 4 gr cacao amaro in polvere

CONDIMENTO
– 40 gr burro
– 1 verza (300 gr)
– 1 patata
– 150 gr formaggio Casera or Bitto (o un formaggio di mucca a media stagionatura)
– Parmigiano Reggiano grattuggiato
– sale
– 2 spicchi aglio
– 4/5 foglie di salvia

Procedimento:

  • Mescolare le farine e il cacao su una spianatoia, poi aggiungere acqua, grappa, sale e olio: lavorare l’impasto con le mani o con un mixer per 10 minuti, fino a che non diventa morbido.
  • Stendere l’impasta sottile usando un mattarello o con l’aiuto della macchina della pasta, poi tagliatelo in rettangoli (circa 1 cm per 5 cm). 
  • Tagliare il formaggio a cubetti e tenerlo da parte. 
  • Mettere a bollire l’acqua in una grande pentola, poi aggiungere la verza e le patate, dopo 5 minuti i pizzoccheri che devono cuocere assieme per 5 minuti, facendo attenzione che rimangano al dente. 
  • Con una schiumarola scolare i pizzoccheri e le verdure e metterli in una teglia, spolverare con il Parmigiano Reggiano e aggiungere il formaggio a cubetti, mescolando il tutto. 
  • Nel frattempo far sciogliere il burro su una fiamma bassissima assieme agli spicchi d’aglio sbucciati e la salvia. Quando è colorito togliere l’aglio ed aggiungerlo ai pizzoccheri.

Crostata


Dit is één van die zoetigheden, die zich werkelijk voor elke gelegenheid leent: eenvoudig maar door iedereen gewaardeerd! De kruimeldeegtaart met jam is inderdaad heerlijk ’s middags bij de thee, als ontbijt en bij spontane trek in iets zoets op zondagmiddag. En het is in een oogopslag gemaakt!

Ingrediënten:

  • 300 gr. bloem
  • 150 gr. suiker
  • Een snufje zout
  • 2 eieren
  • 150 gr. boter
  • 1/2 zakje gist
  • 1/2 pot jam, liefst huisgemaakt

Bereiding:

Meng alle ingrediënten op de jam na en bekleed een ingevette taartvorm met het verkregen deeg; houd een deel apart voor de strookjes. Smeer de jam uit over het deeg en garneer daarop de strookjes in ruitvorm. Bak 15 minuten in een voorverwarmde oven op 220 graden.

Crostata


Ecco uno di quei dolci adatto davvero a tutte occasioni, semplice ma sempre apprezzato da tutti! La crostata di marmellata infatti accompagna perfettamente la merenda al pomeriggio, la colazione e la voglia di dolce improvvisa la domenica pomeriggio. E si prepara questo dolce in un batter d’occhio!

Ingredienti:

  • 300 gr. di farina fine
  • 150 gr. di zucchero
  • un pizzico di sale
  • 2 uova
  • 150 gr. di burro
  • 1/2 bustina di lievito
  • 1/2 confezione di marmellata, preferibilmente fatta in casa

Preparazione:

Mischiare tutti gli ingredienti tranne la marmellata e stendere l’impasto ottenuto in una teglia imburrata; tenere una parte per fare le strisciette. Spalmare la marmellata sull’impasto e sopra mettere le strisciette per decorazione. Cuocere nel forno prescaldato a 220 gradi per 15 minuti.

Seadas (gefrituurde kaaspasteitjes)

Kaas en honing, een verfijnde en onweerstaanbare combinatie die het geheim van het succes van een oud recept uit Sardinië onthult: ‘Seadas’ (gefrituurde kaaspasteitjes), gemaakt van een opgevouwen deegvel met een zacht en heerlijk hart van kaas. Een vulling die eer doet aan de typische smaken van het eiland, met zijn verse pecorino met zurige smaak, wat zeer goed samengaat met de schil van citroen, hetgeen net die frisse smaak geeft die dit zoete gerecht kenmerkt. Dit recept is bekend in heel Sardinië en neemt her en der andere namen aan: ‘sevada, sabada, casgiulata, seada, sebada, seatta’. Een verscheidenheid aan namen die waarschijnlijk allemaal een afgeleide van het woord ‘seu’ zijn, wat in het Sardijns dierlijk vet betekent, dat vandaag de dag nog steeds in deze overheerlijke snacks gebruikt wordt. Volgens de traditie smaakt ‘seadas’ het beste warm, met de lokale kastanjehoning, een typische honing donker van kleur en bitter van smaak. De mix van zoet en zout maakt ‘seadas’ een ervaring aan unieke aroma’s, geuren en smaken.

Ingrediënten:

Voor het deeg:

  • 500 gram durumtarwemeel
  • 3 eetlepels reuzel of 3 eetlepels extravergine olijfolie
  • 1 kopje lauwwarm water
  • 1 snufje zout

Voor de vulling:

  • 400 gr. verse kaas ( pecorino primo sale*)
  • 20 gr. semola ( fijn gemalen griesmeel van harde tarwe)
  • 2 theelepels geraspte citroenschil
  • 100 ml water
  • extra vergine olijfolie om te bakken
  • zout
  • kastanjehoning of aardbeiboomhoning (is bitter)

Bereiding:

  • Meng in een kom de bloem en de reuzel met een beetje water tot een zacht glad deeg. Laat 30 minuten afgedekt rusten.
  • Doe het water en de in kleine stukjes gesneden kaas in een pan en zet dit op het vuur. Voeg de geraspte citroenschil toe en een snufje zout. Meng dit op laag vuur.
  • Wanneer de kaas helemaal gesmolten is, voeg dan de griesmeel toe en blijf roeren tot al het water opgenomen is.
  • Doe de gesmolten kaas in een ovenschaal, goed uitsmeren en af laten koelen.
    Snij als het afgekoeld is met een deegsnijder de kaas in vele schijven van 6-7 cm. (Als je de vulling ‘ sa mandrona’ wilt bereiden, rasp dan de kaas en voeg hem toe aan de citroen. Plaats vervolgens een lepel vulling in het midden van de schijf en ga verder zoals beschreven in het recept)
  • Pak het deeg en rol het dun uit tot circa 3 mm en snij de schijven van ongeveer 10-12 cm.
  • Leg op iedere schijf een klein schijfje kaas en maak deze dicht met een andere deegschijf; druk de randen goed aan en snij het overtollige deeg weg met de deegsnijder of met een mal met golfrand.
  • In een pan voldoende olie verwarmen en de seadas frituren; schenk olie bij met een lepel op het deel dat onbedekt blijft.
  • Laat ze uitlekken op keukenpapier en serveer ze warm met honing of kristalsuiker.

Tip
ze kunnen in de vriezer bewaard worden en meteen diepgevroren worden gefrituurd

* Wanneer je geen pecorino sale sardo kunt krijgen, vervang deze dan door een
smakelijke verse kaas.
.

Le seadas

Formaggio e miele, un abbinamento raffinato e irresistibile che svela il segreto del successo di un’antica ricetta sarda: le seadas, i famosi dolcetti fritti realizzati con una sfoglia che racchiude un morbido e saporito cuore di formaggio. Un ripieno che fa onore ai tipici sapori dell’isola, con il suo pecorino fresco dal gusto acidulo che si sposa perfettamente con la scorza di limone, dando così quel tocco fresco che contraddistingue questo dolce. Questa ricetta attraversa tutta la Sardegna, prendendo di volta in volta denominazioni differenti: sevada, sabada, casgiulata, seada, sebada, seatta. Una varietà di nomi che si ritiene derivino dalla parola “seu” che in sardo indica il grasso animale, che viene usato ancora oggi nell’impasto di questi bocconcini sfiziosi. Come da tradizione, le seadas si gustano ben calde guarnite con il miele locale, quello di castagno, una tipologia di miele dal colore scuro e dal gusto deciso, amarognolo. Tra il dolce e il salato le seadas racchiudono un’esperienza di aromi, profumi e sapori unici.

Ingredienti:

Per la pasta:

  • 500 g semola rimacinata di grano duro
  • 3 cucchiai di strutto o 3 cucchiai di olio extravergine di oliva
  • 1 tazza di acqua tiepida
  • 1 presa di sale

Per il ripieno:

  • 400 g formaggio fresco (possibilmente pecorino primo sale-3/4 giorni)*
  • 20 grammi di semola rimacinata di grano duro
  • 2 cucchiaini di scorza di limone grattata
  • 100 grammi di acqua
  • olio extravergine di oliva per friggere
  • sale
  • miele di castagno o corbezzolo

Procedimento:

  • In una ciotola lavora la farina e lo strutto insieme a poca acqua tiepida, fino ad ottenere una pasta morbida e liscia. Copri e lascia riposare per 30 minuti.
  • In un tegamino sul fuoco, metti l’acqua e il formaggio tagliato a piccoli pezzi. Aggiungi la scorza grattugiata del limone e un pizzico di sale e mescola, a fiamma bassa.
  • Quando il formaggio è completamente sciolto aggiungi la semola e continua a mescolare fino a quando l’acqua in eccesso non si sarà asciugata.
  • Metti il formaggio fuso in una teglia, stendilo bene e lascialo raffreddare. Una volta freddo, prendi un tagliapasta e tagliare il formaggio in tanti dischi, circa 6-7 centimetri. (Se volete preparare il ripieno crudo “sa mandrona” grattugiate il formaggio e unitelo poi al limone. Mettetene poi un cucchiaio al centro del disco di pasta e procedete come da ricetta.)
  • Riprendi la pasta, stendi una sfoglia sottile di circa 3mm e taglia dei dischi con un diametro di 10-12 cm circa.
  • Metti su ogni disco un cerchietto di formaggio e chiudi con un altro disco; premi bene i bordi e taglia la pasta in eccesso con la rotella o con l’apposito stampo con bordo ondulato.
  • In una padella metti a scaldare abbondante olio, friggi le seadas, versando l’olio con un cucchiaio nella parte che resta scoperta.
  • Falle scolare su carta da cucina e servitele calde ricoperte di miele fuso (o zucchero semolato)

Note
Si possono conservare in freezer e friggere direttamente congelate.
*Se non trovate il pecorino sardo primo sale potete sostituirlo con un formaggio fresco saporito.

Citroensorbet

Een geweldig slot van een etentje, over het algemeen geserveerd om de smaak te neutraliseren na een maaltijd met vis. Perfect geschikt voor de feestdagen en meestal geserveerd als digestief. De romigheid, gecombineerd met het vleugje alcohol en de frisheid van de citroen, wordt door iedereen gewaardeerd. Om dit te bereiden heb je slechts een eenvoudige blender nodig met citroen-sorbetijs, prosecco en wodka. Sorbet is rond 1500 in Veneto ontstaan en wordt in de volksmond Sgropin genoemd. In de loop van de tijd heeft het oude recept wat aanpassingen ondergaan. Op Sicilië wordt het gemaakt mat zachte wodka en citroen-granita, maar er zijn ook varianten met aardbei, mandarijn, koffie, grapefruit en er is ook een alcoholvrije versie.

  • 2 bolletjes citroensorbet of -ijs;
  • 30 ml wodka;
  • 10 ml Prosecco

De eerste stap bij het bereiden van de Sgroppino bestaat uit het opschuimen van het citroenijs, met de mixer of met een garde, totdat je een schuimige crème hebt. Vervolgens meng je het ijs met de prosecco en de wodka. Je kunt wat Limoncello toevoegen voor een nog intensere, aangenamere smaak. Meng alles door elkaar en blijf kloppen. Doorgaans gebruiken we een hoog smal glas, zoal een flûte of een hoog cocktailglas met een inhoud van 120-150 ml. Bij voorkeur garneren met een schijfje citroen.

Sgroppino al limone

Un ottimo fine cena che genere si serve per pulire il palato dopo un pasto a base di pesce. Perfetto nei giorni di festa è normalmente servito come digestivo. La sua cremosità, unita al tocco alcolico e alla freschezza del limone è gradita a tutti. Per realizzarlo occorre un semplice frullatore, sorbetto al limone, prosecco e vodka. Lo sgroppino nasce nel Veneto e viene comunemente chiamato sgropin, risale al 1500 e nel tempo l’antica ricetta ha subito delle modifiche. In Sicilia viene preparato con vodka liscia e granita al limone, ma vi sono anche varianti alla fragola, al mandarino, al caffè, al pompelmo e senza alcool.

  • 2 palline di gelato o sorbetto al limone
  • 30 ml di vodka
  • 10 ml di Prosecco

Il primo passo per preparare lo sgroppino consiste nel montare il gelato al limone, con l’aiuto delle fruste elettriche oppure con una frusta manuale, fino ad ottenere una crema piuttosto spumosa. Successivamente aggregare al composto di gelato il prosecco, la vodka e il limoncello per conferire un sapore più inteso e piacevole. Mescola il tutto per amalgamare gli ingredienti e continua a montare. Si serve solitamente in un bicchiere alto e stretto, come un flûte o una doppia coppetta da cocktail, in quantità di 120-150 ml, preferibilmente con una guarnizione di limone.